zaterdag, november 19, 2005

DE HAAT DIE BRANDEN VOEDT

Op een herdenkings­debat in Amsterdam, één jaar na de moord op Theo van Gogh, drukte Theodor Holman, schrij­ver en vriend van het slachtoffer, zijn veront­waardiging uit 'Als ik niet mag zeggen dat ik de Koran een kutboek vind, bestaat hier geen vrijheid van mening meer: Burgemeester Job Cohen was het met de furieuze schrijver eens.

Holman heeft gelijk als hij aanvoelt dat hij zijn afkeer niet langer op de ge­ijkte Hollandse manier kan uiten. Maar hij heeft geen gelijk als hij deze beper­king wijt aan het ontbreken van een recht op vrije meningsuiting. Integen­deel, het is omdat dit recht wél be­staat, dat men zich niet elke uitlating kan veroorloven. Juist in een samenle­ving waar alles gezegd kan worden, mag niet alles gezegd worden. Het recht om te beweren wat men wil, kan maar verzekerd blijven indien het niet ondraaglijk gemaakt wordt door het te gebruiken om te kwetsen en te be­ledigen. Dat krenkende uitspraken niet geoorloofd zijn, is niet omdat er in on­ze samenleving een wettelijk verbod op zou rusten, maar precies omdat er géén verbod bestaat en deze afwezig­heid van een verbod slechts mogelijk is als gerekend kan worden op de zelfbe­heersing van de burger.

Het is, anders en eenvoudiger ge­zegd, een kwestie van fatsoen. Obsce­ne, grievende, onterende uitlatingen druisen in tegen het goed fatsoen. Maar fatsoen is een ouderwetse kwa­liteit, ondergespit door een cultuur waar assertiviteit meer succes verze­kert, waardoor een fundamenteel recht nog slechts op een weggezakte basis lijkt te steunen.

De moord op Van Gogh was een misdaad die in kwaadaardigheid de be­ledigende woorden van de vermoorde mateloos overtrof, maar dat feit maakt van een vuilbek geen held .Van Gogh is niet gevallen als martelaar voor het vrije woord, maar als zielig slachtoffer van een spiraal van bru­taliteit en geweld die in de verruwde Neder­landse samenleving op gang gekomen is.

Niet alleen in de Nederlandse. In heel West-Europa raken de gemoederen steeds meer verhit. De brand­stichtingen en aanslagen die het land van de liber­té, égalité en fraternitéteisterden, vinden hun

oorsprong ongetwijfeld in de werk­loosheid en sociale ongelijkheid bin­nen de Franse voorsteden, maar even zeker is dat deze mistoestanden niet de enige oorzaak kunnen zijn. Er is meer aan de hand dan een reactie te­gen sociaal onrecht. De afkeer voor een cultuur die intolerant en indecent is, staat in de ogen van deze jongeren te lezen. De arrogantie van de Euro­peaan die de eigen verlichte cultuur boven elke andere verheven acht en de mening niet verbergt dat moslims nog in de middeleeuwen leven, wekt evidente woede op. Ondertussen lijkt het de Europeaan te ontgaan hoe zijn eigen samenleving door brutaliteit en cynisme is aangetast, hoe zij in staat van ontbinding verkeert door de des­integratie van gezinnen en de kloof tussen de generaties, en hoe zielloos de producten zijn die zij voortbrengt. Dat alles boezemt afkeer in. De leegte van deze verpulverde, ontwortelde beschaving biedt jonge mensen geen grond om op te staan en geen doel om naar te leven. Als de zo geprezen vrij­heid van meningsuiting dan nog ge­bruikt wordt als een wapen om te ver­nederen en te kwetsen, groeit bij elke ongepastheid de haat die de branden voedt.

Daarom worden de vrijpostigen en de aanstootgevers onder ons, verdedi­gers van het vrije woord, verzocht wat in te binden. Niets van wat gezegd kan worden is verboden, maar van veel hebben we al te veel gehad.

Gerard Bodifée is natuurkundige.uit knack

Geen opmerkingen: